Voor een hemd heb je minimaal zes maten nodig en idealiter vijftien: lichaamslengte, hals-, bovenwijdte-, taille- en heupomvang, rug- en schouderbreedtes, armlengtes, bovenarm-, onderarm en polsomvang, ruglengte en taillehoogte. Daarnaast kun je natuurlijk op houdingen letten zoals de val van de schouders. Het meten gebeurt het liefst slechts over een t-shirt of hemd heen en wanneer de klant ontspannen staat. Het meetlint hoeft nergens heel strak te worden aangetrokken. Een vinger ertussen is prima.

Met behulp van de maten en de wensen van comfort kun je overwijdtes en vervolgens de hemdmaten bepalen. Een strak hemd heeft 6 cm overwijdte, een normale pasvorm 10 en een ruime 14 cm. Een lang persoon en mensen met een grote omvang hebben meer ruimte nodig om goed te kunnen bewegen en om ervoor te zorgen dat de knopenlijst niet open gaat staan en er voldoende bewegingsvrijheid is. Dit juist kunnen inschatten is de kunst van de kleermaker.

Juist het afstemmen en inschatten van hoe strak iemand zijn hemd wil (en kan) dragen is dus essentieel. Dat kan uiteraard alleen maar goed gebeuren als de kleermaker het patroon goed kent en weet wat de verhoudingen zijn in het patroon.